‘Mer ick late de historie staen’

Overwegingen bij Maerlants behandeling van de Arturstof in de Graal-Merlijn 

De Vlaamse auteur Jacob van Maerlant (ca. 1235 – 1300) heeft drie keer in zijn literaire carrière de Arturstof behandeld. De eerste keer in de Torec, de tweede keer in de Historie van den Grale/Merlijns Boeck (de zgn. Graal-Merlijn) en de derde keer in de Spiegel Historiael. Wat opvalt is dat Maerlants houding ten opzichte van de stof iedere keer radicaal anders is. Twee aspecten lijken hier een belangrijke rol te spelen: in de eerste plaats het ambivalente karakter van de Arturstof en in de tweede plaats Maerlants persoonlijke ontwikkeling als auteur en historicus. Omdat Maerlant in de Graal-Merlijn regelmatig verantwoording geeft van zijn behandeling van de stof, kan een nadere beschouwing van zijn werk interessante inzichten opleveren.

Fictie in de Middeleeuwen

Voor moderne lezers klinkt het misschien vreemd dat verhalen over koning Artur, Merlijn de tovenaar en de queeste voor de Heilige Graal ooit serieus genomen werden, maar voor Maerlant en zijn tijdgenoten was de fictionele aard van de Arturstof allesbehalve eenduidig en dit komt ook tot uitdrukking in Maerlants oeuvre. Zijn Torec was uitgesproken fictioneel, terwijl zijn behandeling van de regeringsperiode van koning Artur in de Spiegel Historiael nadrukkelijk historisch was. In de Graal-Merlijn lijkt Maerlant echter te worstelen met de aard van deze materie en dit begint al met een misverstand in vers 14-19 (vet van mij):

Desse historie van den grale
Dichte ick to eren hern Alabrechte,
Den heer van vorne wal myt rechte;
Want hoge lude myt hoger historie
Manichfolden zulen er glorie
Vnde korten dar mede er tijt. [1]

Een “hoger historie” – zo noemde Maerlant het oorspronkelijke werk van de Franse auteur Robert de Boron, Joseph d’Arimathe en Merlin. De manier waarop Maerlant deze tekst benadert roept dan ook de vraag op of hij zich wel bewust was van het feit dat hij met een werk van fictie te maken had. Dit probleem klinkt misschien vreemd voor moderne lezers, want voor ons is het doorgaans evident met wat voor soort tekst we te maken hebben en of het al dan niet om fictie gaat. Dit gaat voor ons onopgemerkt, maar er zijn veel factoren die hierin een rol spelen. Bijvoorbeeld het fenomeen van paratekst. Hieronder verstaan wij het geheel aan taaluitingen over de eigenlijke auteurstekst, bijvoorbeeld: promotietekst, inleiding, flaptekst, recensies, een colofon, e.d. Maar ook de visuele presentatie van een tekst speelt hierin een belangrijke rol, bijvoorbeeld door middel van de vormgeving, typografie e.d.  Al deze elementen zorgen ervoor dat een tekst wordt ingekaderd om onze receptie ervan te begeleiden. Op de tweede plaats moeten wij de hoeveelheid parate kennis in acht nemen die wij als moderne lezers hebben, maar ook de veelheid aan mogelijkheden om vermeende feiten te controleren. Wij vullen een zoekopdracht in op internet en onmiddellijk hebben we allemaal informatie over een bepaald onderwerp tot onze beschikking. Het behoeft weinig uitleg dat dit alles in Maerlants tijd nog niet bestond en wanneer een manuscript beweringen doet over plaatsen, gebeurtenissen en mensen uit een ver land en in een lang vervolgen tijd, zijn die moeilijk te controleren, behalve dan door het gebruik van andere manuscripten. Om deze reden was het gezag dat een bepaalde tekst had vaak van doorslaggevend belang, maar niet iedere tekst kon daar een beroep op doen. Bovendien konden teksten, ook in Maerlants tijd, bepaalde eigenschappen hebben waardoor ze als fictie herkenbaar waren. Een aantal van deze eigenschappen zal verderop in dit artikel aan bod komen.

Miniatuur van Jacob van Maerlant in de Spieghel Historiael, (KA XX, fol. 255r, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam)


Peuteren aan de Jozef

De Graal-Merlijn werd rond het jaar 1260 geschreven en Maerlant had het werk opgedragen aan zijn mecenas, Albrecht van Voorne (ca. 1247-1287). Het werk was in eerste instantie bedoeld als een vertaling. De Franse dichter van het oorspronkelijke werk, Robert de Boron, heeft in de loop der tijd nogal wat kritiek gekregen voor zijn onhandige behandeling van historische onderwerpen en zijn vermeende “middelmatige stijl”. Desalniettemin is het ook de eerste Arturiaanse cyclus [2] in de westerse literatuurgeschiedenis en volgens Norris J. Lacy zelfs het meest invloedrijke werk in de romantraditie als geheel. [3] Over zijn bron zegt Maerlant het volgende in vers 1560-1567 (vet van mij):

Mijn her robrecht van barioen
De in dat walsch screyff al dit doen
Vnde sonder rime al gader dichte
He seget dat men nicht mach lichte
Al verstaen desse aůenture
He mote dat weten wal ter cure
Waer hen genck aleyn de grotze

Omdat het werk van Robert oorspronkelijk in octosyllabische verzen was geschreven, is het waarschijnlijk dat Maerlant destijds een prozabewerking (“sonder rime”) in handen heeft gekregen. Dit is een belangrijk gegeven omdat in deze periode van de Middeleeuwen men voornamelijk op grond van literaire conventies een werk van fictie kon onderscheiden. Een van deze conventies was dat proza in de volkstaal doorgaans gereserveerd was voor teksten van religieuze aard.

Vernacular prose had formerly been used for religious purposes – in sermons, psalters, translations of Latin religious texts, and indeed the Bible itself (first translated into old French at the beginning of the thirteenth century). Prose thus carried for many medieval authors a truth-telling value absent from the rhetorical artifice of purely literary verse accounts that by the thirteenth century were sometimes condemned as “vain pleasures”. [4]

Hier zien we de contouren van het probleem al ontstaan, want niet alleen was Joseph d’Arimathe geschreven in volkstalig proza, ook het onderwerp was er één van religieuze aard. Het eerste deel van de Graal-Merlijn gaat namelijk over Jozef van Arimathea, die volgens Bijbelse overlevering een volgeling van Christus was. Na de kruisiging stelde Jozef zijn graftombe beschikbaar om Jezus in te begraven. Voor het verhaal over Jozef liet Robert zich waarschijnlijk inspireren door het apocriefe Nicodemus evangelie, legenden en hagiografieën die bewaard zijn gebleven over deze heilige. Daarnaast gaat het in de tekst ook om één van de meest bijzondere relieken in het Christendom: de Heilige Graal. Binnen deze context is het goed te begrijpen waarom Maerlant zich vergist zou kunnen hebben in de historiciteit van zijn bron.
Tegelijkertijd dringt dit ook de vraag op waarom Maerlant dan een zogenaamd historische prozatekst in vers heeft omgezet. Hieromtrent hebben Bart Besamusca en Frank Brandsma van Universiteit Utrecht een interessante theorie ontwikkeld, namelijk: dat de Graal-Merlijn was geschreven als onderdeel van een opvoedkundig programma voor de zoons van Albrecht van Voorne. [5] De versvorm die Maerlant had gekozen werd doorgaans gezien als meer geschikt voor voordracht, wat op die manier de Graal-Merlijn inderdaad geschikt zou maken voor dergelijke opvoedkundige doelen. Daarnaast bood de Middelnederlandse versvorm meer weerstand tegen het Franse idee dat de versvorm voor fictie zou zijn en proza voor waarheid. Volgens Orlanda Lie vertoonde het Middelnederlands in dit opzicht meer overeenkomsten met het Duitse taalgebied dan het Franse. [6]
Terug naar Jozef van Aramithea. Wanneer Maerlant een aantal onjuistheden tegenkomt in de Franse brontekst schroomt hij niet om deze terstond te benoemen en te corrigeren. Bijvoorbeeld bij de bewering dat het Laatste Avondmaal plaatsvond in het huis van Simon de Melaatse. Maerlant noemt deze bewering eenvoudigweg “gedwas” (vers 242) omdat deze Simon volgens het evangelie in Bethanië woonde en Jezus en zijn discipelen ten tijde van het Laatste Avondmaal uiteraard al in Jeruzalem waren gearriveerd. Hier laat Maerlant de brontekst los en geeft de versie van gebeurtenissen “volgens het ware Evangelie” in vers 252-254.

Mer ick late de historie staen
Van den romanse vnde telle iv voert
Der waeren ewangelien woert

Een ander voorbeeld vinden we wanneer in de Franse brontekst wordt beweerd dat Jozef van Arimathea een ridder in de lijfwacht van Pilatus was. Ook dit spreekt Maerlant subiet tegen en hij herinnert de lezer eraan dat volgens het Markus evangelie Jozef een ‘nobilis decurio’ (ofwel prominent raadslid) van het Sanhedrin was en zeker geen ridder in dienst van de Romeinen. Het mag duidelijk zijn dat voor Maerlant de autoriteit van de Heilige Schrift boven alle twijfel verheven was. Toch is het niet alleen wanneer de tekst in tegenspraak is met de Bijbel dat Maerlant zichzelf opwerpt als arbiter. De Franse brontekst vertelt namelijk ook van een anonieme Romeinse keizer die een zoon heeft met lepra. Deze zoon heet Vespasianus. Hij hoort van de wonderlijke genezingen van een Joodse profeet (Christus). Wanneer Vespasianus vervolgens het doek van Veronica aanschouwt is hij op slag genezen. Vespasianus is Christus zo dankbaar dat hij besluit om wraak te nemen op het Joodse volk die zijn weldoener zouden hebben gedood. Daarop vertrekt hij met een leger naar het Heilige Land waar hij de tempel vernietigt en Jozef uit de gevangenis bevrijdt. Hier aarzelt Maerlant geen moment om op te merken dat het keizer Tiberius was die lepra had en niet Vespasianus. Bovendien was het Vespasianus’ zoon, Titus, die als “gesel Gods” de tempel van Jeruzalem zou vernietigen, dus wederom niet Vespasianus. Na een vlug rekensommetje komt Maerlant zo tot de conclusie dat in dit verhaal Jozef ongeveer 42 jaar in de gevangenis moet hebben gezeten om het van de kruisiging naar de vernietiging van de tempel te halen. Nu wordt het de koster van Merlant toch echt te bont en hij besluit in te grijpen. Zijn aanpassingen in de tekst presenteren hem echter met een probleem, want nu de keizer niet melaats is heeft hij ook geen motivatie meer om naar Jeruzalem te gaan en Jozef te bevrijden. Hoe Maerlant dit probleem uiteindelijk heeft opgelost weten we helaas niet, want het is precies op dit punt dat er een aantal pagina’s in het Steinforter manuscript ontbreken waardoor 312 versregels van de Historie van den Grale verloren zijn gegaan.

Miniatuur van Joseph die de Heilige Graal op zijn sterfbed aan Alain geeft. (British Library, Ms. Royal 14 E. iii [c. 1315-1325], fol. 86r)

 

Merlijn en de Processus Satanae

Na de Historie van den Grale gaat Maerlant door met het verhaal van Merlijn, maar in tegenstelling tot het eerste deel brengt Maerlant in dit zogenaamde Merlijns Boeck maar weinig wijzigingen aan. Eigenlijk is dat niet zo vreemd, want in tegenstelling tot de Historie van den Grale, die door haar onderwerp moest concurreren met gezaghebbende teksten uit de Bijbel en de klassieke Oudheid, is het verhaal van Merlijn veel obscuurder. Een van deze wijzigingen is dat Merlijns moeder in plaats van vijftien dagen in de Franse brontekst in Maerlants bewerking maar vijf dagen hoeft te wachten op haar rechtszaak. Een ander voorbeeld is dat Blaise (Merlijns voogd) in de Franse brontekst naar Northumberland vertrekt, maar in Merlijns Boeck naar “Merlant” (vers 4758). De aard van dergelijke aanpassingen hebben echter geen grote gevolgen voor de rest van het verhaal. De grootste uitzondering hierop is een interpolatie van Maerlant die bekend staat als het Processus Satanae.
Het verhaal van Merlijns Boeck begint vlak na Jezus’ afdaling in de hel, waar hij vele zielen  bevrijdt. De duivels en demonen maken zich zorgen, want ze zijn bang dat door het offer en de leer van Christus zij in de toekomst nog veel meer zielen zullen kwijtraken. Ze besluiten een klacht in te dienen bij God en een rechtszaak wordt op touw gezet om de duveltjes hun zegje te laten doen. In het proces zit de mensheid in de beklaagdenbank, treedt God op als rechter, de duivel Maskeroen als aanklager en is de heilige maagd Maria onze verdediger. Het is een mooi stukje catechese waarin de Gerechtigheid en Waarheid worden afgewogen tegen de Barmhartigheid en Vrede. Maskeroen verliest het geding en keert verslagen terug naar de hel. De duivels besluiten daarop dat de hel dan maar een eigen ambassadeur nodig heeft onder de mensen. Een van de demonen krijgt de opdracht om een kind te verwekken bij een mensenvrouw en dat kind zal Merlijn worden genoemd.
Volgens Wim Gerritsen [7] was deze interpolatie van het Processus Satanae een oorspronkelijk stukje van Maerlant zelf. Ook Frits van Oostrom merkt in Maerlants Wereld op dat dit waarschijnlijk de oudst bekende versie van een dergelijk Satansproces is: “Met een heel vroege Catalaanse tekst, die evenwel ná Historie van den Grale dateert, heeft Maerlant de primeur van alle volkstalen. Zelfs in het Latijn is er maar één tekst bekend die, en dan nog met enige goede wil, vóór die van Maerlant kan worden gedateerd.” [8]
In deze overweging is het  Satansproces op een andere manier van belang. Wat opvalt is dat Maerlant geen bezwaar heeft tegen het invoegen van een andere tekst (dan wel zelf bedacht, dan wel ergens gevonden). Dit is opmerkelijk, want waar hij in het verhaal van Jozef van Arimathea hoog inzette op historische nauwkeurigheid lijkt hij het in Merlijns Boeck allemaal met een korreltje zout te nemen. Wanneer we zoeken naar een mogelijke verklaring komen we toch alweer snel uit bij de mogelijke opvoedkundige functie van de tekst. Het Satansproces is een stichtelijke tekst die bovendien het belang van rechtspraak, rechtvaardigheid en barmhartigheid benadrukt – belangrijke lessen voor de jonge nobelen van Voorne. Hierbij moet voor de volledigheid worden opgemerkt dat volgens Geert Warnar van de Universiteit Leiden het hier helemaal geen oorspronkelijke interpolatie van Maerlant betreft, maar een toevoeging van Lodewijk van Velthem die in 1326 een uitgebreid vervolg toevoegde aan de tekst die was gebaseerd op de Oudfranse Suite-Vulgate du Merlin. [9] Het spreekt voor zich dat wanneer dit inderdaad een toevoeging is van Lodewijk van Velthem deze passage feitelijk niets zegt over de auteursintenties van Maerlant zoals ik die zojuist heb besproken.
We keren terug naar het verhaal: Wanneer Merlijns moeder erachter komt dat ze bezwangert is door een duivel zoekt ze steun bij haar biechtvader, Blaise. Deze Blaise ontfermt zich over het jonge meisje en verdedigt haar succesvol in een rechtszaak. Van jongs af aan blijft Merlijn geregeld bij Blaise langskomen om hem te vertellen over wat hij allemaal heeft meemaakt. Die verhalen schrijft Blaise op en dat is wat de lezer met Merlijns Boeck voor zich heeft (vers 4097-4117):

Merlijn zegede gewinne ons enket
Vnde zet ons nv in dat perkement
De zake de nyman en bekent

Op 27 maart 2013 gaf Frank Brandsma een lezing voor het Albion Syposium genaamd: Kvothe, Tyrion and Lancelot. Tijdens de lezing besprak Brandsma verschillende overeenkomsten tussen Middeleeuwse literatuur en het contemporaine fantasy genre. Veel aandacht werd besteed aan het fenomeen “source fiction”, ofwel: bronnenfictie:

Around 1200, many new developments in storytelling become evident, in the context of a discussion on the veracity of fiction and on the use of prose as the proper medium for ‘true’ texts. Much attention is given to how the story came to be, the source fiction. The […] Lancelot-Grail Cycle, which is fictional in nature yet presents itself as a true and complete chronicle of Artur’s reign, has a whole series of source fictions in play.

Iets soortgelijks vinden wij dus ook in Merlijns Boeck, maar daarbij zijn wel een aantal kanttekeningen nodig. Immers, als de schrijver van de tekst zogenaamd Blaise is, waarom verwijst hij dan naar zichzelf in de derde persoon? Het antwoord is eenvoudig: het fenomeen van de karakter-verteller in fictionele teksten bestonden in die tijd gewoon nog niet. Wel vinden we een aantal auteurs die in hun tekst naar zichzelf in de derde persoon verwijzen, zoals Julius Caesar in de Commentarii de Bello Gallico, Xenofon in de Anabis en Matteus in zijn evangelie. Dit waren echter allemaal ooggetuigenverslagen over historische gebeurtenissen en geen fictie. De introductie van dit fenomeen in fictie was, zoals Brandsma uitlegde, in de dertiende eeuw een nieuw verschijnsel. Alleen op basis van het gebruik van Blaise als (fictieve) bron kunnen we dus niet bepalen of Maerlant zich bewust was van het feit dat hij fictie schreef of dat hij gewoon kopieerde wat Robert de Boron al had gedaan. Toch zijn er twee elementen die lijken te verraden dat Maerlant wel degelijk bewust was van het feit dat hij fictie schreef:

Vnde wo de duuele weren bedacht
Dat ze verloren hadden er cracht
De ze hadden oůer den man
Vnde van den gedinge ock voert an
Dat ze hadden myt groten rouwen
Tegen marien onser zoeter vrouwen

In het bovenstaande fragment zien we dat Maerlant zijn eigen interpolatie (“den gedinge”) presenteert als onderdeel van de oorspronkelijke bron. Dat is fictief en dat weet Maerlant omdat hij het zelf aan de tekst heeft toegevoegd. Dit suggereert dat hij zich bewust was van hoe bronnenfictie werkte, zelfs al bestond een dergelijk begrip voor dat literaire fenomeen nog niet.

Ten slotte: Een kleine aanwijzing ligt verscholen in de schijnbaar onbelangrijke aanpassing die al eerder werd genoemd en waarin Blaise niet naar Northumbria verhuisd (zoals in de Franse brontekst) maar naar Merlant waar Jacob van Maerlant in die tijd zelf als koster werkzaam was. Hier lijkt Maerlant dus wel degelijk aan te geven dat hij in zijn context als schrijver van de tekst de rol van fictieve bron op zich neemt, dat wil zeggen: als Blaise, als de verteller van het verhaal van Merlijn.

Vraagtekens

Niets van wat hier staat kan onomstotelijk verklaren wat Maerlants houding ten opzichte van Robert de Borons Joseph d’Arimathe en Merlin was. Drie scenario’s lijken hier mogelijk. Ten eerste: dat Maerlant Roberts Joseph d’Arimathe en Merlin als historisch aannam, zij het met veel onnauwkeurigheden en onjuistheden die dan maar gecorrigeerd moesten worden. Ten tweede: dat Maerlant het werk wel degelijk als fictie aannam (hoewel dat de verwijzing naar de tekst als een “hoger historie” niet zou verklaren), maar dat hij omwille van de didactische functie van de tekst geen onjuistheden kon toestaan – het zou immers onverantwoordelijk zijn om de zoons van de heer van Voorne feitelijke onjuistheden te leren. Ten derde: Dat Maerlant het werk aannam als historisch maar na het lezen van de Jozef al snel tot de conclusie kwam dat zijn verwachtingen te hoog gespannen waren.
Wat we wel weten is dat hij ongeveer een jaar later de ridderroman Torec zou schrijven en nog eens veel later in zijn carrière de Arturstof zou behandelen voor zijn wereldgeschiedenis in de Spiegel Historiael. Die behandeling van de geschiedenis van koning Artur kwam echter met een bijsluiter:

Ende al es van hem achterbleven
Boerden vele, die sijn bescreven
Van menestrelen, van goliarden,
Die favelen visieren begaerden,
Dies en salmen niet ommare [10]

Een duidelijke waarschuwing voor iedereen die zich met de Middeleeuwse Arturstof wil inlaten!


De verwekking van Merlijn (Ms Fr. 95 fol.113v, Bibliotheque Nationale, Paris)

Noten

[1] De enige versie van Maerlants Graal-Merlijn die de tand des tijds heeft kunnen weerstaan is een vertaling in het Middelnederduits, het zogenaamde Steinforter Manuscript uit de bibliotheek van graaf Everwijn II. De digitale versie van deze tekst kan u vinden op de website van DBNL.

[2] De veronderstelling is namelijk dat het werk eigenlijk een trilogie betreft waarvan het laatste deel over de ridder Perceval ging en zijn queeste voor de Heilige Graal.

[3] Lacy, N.J. ‘The evolution of French Prose Romance’, in The Cambridge Companion to Medieval Romance. ed. R.L. Krueger, Cambridge, 2000, p. 196.

[4] Chase, C.J. Lancelot-Grail – The Old French Arthurian Vulgate and Post-Vulgate in Translation. Part 1. The History of the Holy Grail. D.S. Brewer, Cambridge, 1992.

[5] Besamusca, B. & F. Brandsma. ‘‘Kinder dit was omber waer’ – De didactische functie van Jacob van Maerlants Graal-Merlijn, in: Queeste. Jaargang 3. Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1996, pp. 115-124.

[6] ‘In the eyes of Maerlant, the underlying truth of a written work was clearly not a matter of stylistic form (verse or prose) but of using the right source.’ Zie: Lie, O.S.H. ‘What is Truth? The Verse-Prose Debate in Medieval Dutch Literature’ in: Queeste. Nummer 1. Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1994, p. 34-65.

[7] Gerritsen, W.P. ‘Jacob van Maerlant and Geoffrey of Monmouth’. In: An Arthurian Tapestry. Essays in Memory of Lewis Thorpe. Glasgow, 1981, pp. 368-388.

[8] Van Oostrom, F. Maerlants Wereld. Prometheus, Amsterdam, 1996, blz. 44.

[9] Zie: B. Besamusca, R. Sliederink & G. Warnar, De boeken van Velthem. Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2009.

[10] Jacob van Maerlant (ed. Philip Utenbroeke & Lodewijc van Velthem). Spiegel Historiael met de fragmenten der later toegevoegde gedeelten. Tweede deel. HES Publishers, Utrecht, 1982.

Advertenties